Insecten

Can De Wadden groep 8

Ensifera. H.1.
Tot voor kort vormden deze twee orden samen de orde der Orthoptera waartoe in het begin van het twintigste eeuw ook verwante groepen zoals de kakkerlakken Blattodea. 
De bidsprinkhanen en de wandelende takken gerekend werden.
Tegenwoordig vormen al deze insekten een bovenorde en wel die der Orthopteroidae.
Kenmerkend voor de delen hiervan zijn de bijtende monddelen , de gelede draadvormige antennen en de speciaal gevormde vleugels.
De voorste vleugels zijn geen echte schilden, ze worden gewoonlijk tegmina genoemd.
De oorspronkelijke dooradering hebben ze in min of meer vereenvoudigde vorm behouden.
Ze zijn smal en bedekken de vliezige achtervleugels over hun gehele lengte tonen een dicht netwerk van dunne aderen.
Bij het rustende insekt zijn ze als een waaier opgevouwen onder de tegmina.
Hoewel de Orthopteroidae bepaalde uiterlijke kenmerken gemeen hebben , verenigde de orde der Orthoptera insekten die aanzienlijke verschillende in morfologie en evolutie vertoonden.In een moderne classificatie konden ze dan ook niet bij elkaar blijven.
het gevolg was dat de sprinkhanen Tettigonoidea, de krekelachtigen.
Gryllacridoidea en de krekels ondergebracht werden in de orde der Ensifera en dat de veldsprinkhanen en andere soorten met de drietenige samen de orde der Caelifera gingen vormen.
In sommige classificaties worden deze beide orden verenigd onder de naam Saltatoria,
die slaat op zijn sprongcapaciteiten.


Homoptera. H.2.
Waarschijnlijk is dit de meest insektenorde wat de morfologie, de levenscycus en de betreft.
Alle leden van deze orde hebben echter de volgende twee eigenschappen;stekende, zuigende monddelen en een volstrekte afhankelijkheid van gast gastplant.
De meeste homoptera zijn kleine of zeer kleine insekten, van slechts enkele millimeters lengte.
Een klein aantal heeft grotere afmetingen.
De lengte van de antennen is variabel.
Behalve samengestelde ogen hebben, sommige Homoptera hebben ook puntogen; 
anderzijds zijn de samengestelde ogen , soms heel slecht ontwikkeld.
De vliezige vleugels worden samengevouwen tot een dakje boven het lichaam.
Meestal is de structuur van de aderen heel eenvoudig.
Gewoonlijk zijn er twee paar vleugels maar vaak zijn die van het tweede paar gereduceerd tot stompjes en het gebeurt ook wel dat het insekt ongevleugeld is.
Talloze Homoptera's kunnen springen, maar er zijn er ook die hun hele leven op de gastplant blijven zitten.
Een groot aantal soorten kleuren die een wasachtige substantie afgescheiden, 
waardoor ze beschermd worden tegen hun natuurlijke vijanden.
Sommige soorten verpakken hun eitjes in een wasachtige kapsel.
Homoptera's leven op planten en vouden zich met de vloeistoffen die daarin cicu leren.
Ze produceren grote hoeveelheden suikerhoudende uitwerpselen, waardoor de bladeren bedekt worden met een kleverige laag, die als voedingsbodem die voor de sporen van bepaalde microscopisch kleine schimmels.





Coleoptera H.3.
Hoewel kevers zeer verscheiden zijn, kun je ze over het algemeen herkennen aan de schilden die meestal voor een groot deel die rugzijde bedekken.
Het dekschild is eigenlijk het eerste vleugelpaar.
De voorvleugels zijn veranderd in harde hoezen die de daaronder gelegen vliezige vleugels van het tweede paar beschermen.
De kop is naar voren min of meer naar beneden gericht.
De monddelen zijn van het maal kraaktype.
Na de kop komt het pronotum, dat soms heel klein is en er soms heel vreemd uitziet.
Het pronotum is plat of gewelfd.
De poten zijn over het algemeen gemaakt om op te lopen, maar ze kunnen ook geschikt zijn om ermee te zwemmen, te graven of te springen.
De kleur van kevers varieert tot in het oneindige; sommige zijn donker en grauw van kleur, 
andere zijn geel, rood of goudgroen, groen, blauw, paars of bronskleurig met een metale 
schittering.
Kevers kun je praktisch overal aantreffen, tot in huizen, vogelnesten, en konijnenhollen,
zowel in het laagland als in de heuvels en de bergen.
Ze zijn bijna allemaal vleeseters of planteneters, maar er zijn ook soorten die van alles eten.
De larven kunnen hetzelfde voedselpatroon als de volwassen insekten of juist heel andere voedingsgewoonten hebben.
Zo kunnen vlesen of houten de larven veranderen in imago's die op planten leven en 
zich voeden met stuifmeel en nectar.
Kevers zijn insekten met een volkomen gedaanteverwisseling.
In de loop van hun groei gaan ze door verschillende larvale stadiaen in het laatste hiervan 
veranderen ze in nimfen.
Op de pimf is de ligging van de antennen, de poten en de vleugels van het toekomstige volwassen insekt goed zichtbaar.

Hiemenoptera H.4.
Zeer heterogena orde waartoe de kleinste insekten die men kent, de slechst 0,2 mm
lange scelionidae, behoren en ook insekten van meer dan 40 mm.
Al deze insekten hebben vliezige vleugels, 
hoewel deze soms ontbreken bij bepaalde leden van de soort [werksters van mieren, wijfje van de Muttillidae].
Heel vaak zijn ze bruin, bruin met geel of bruin met zwart, maar sommige groepen zijn kleurrijk.
Vaak zijn ze gestreept, niet alleen de gewone wespen, maar ook de zaagwespen.
Metaalachtige kleuren zie je zelden bij deze insekten.
Naast onbehaarde soorten komen er in veel groepen harige insekten voor; de beharing
is vaak gekleurd [hommels, bijen].
De antennen zien er soms uit als lange draden en er zijn in andere gevallen kort en dik.
Behalve samengestelde ogen draagt de kop puntogen.
De monddelen zijn van het maal -liktype en bij talloze soorten hebben ze een aanpassing
ondergaan om nektar uit bloemen op te kunnen zuigen.
De thorax is samengesteld uit een groot aantal onderdeeltjes die elk een naam hebben en
belangrijk zijn voor de soortbepaling.
De vliezige vleugels zijn over het algemeen doorzichtig; de voorste zijn groter dan 
de achterste en dragen aan de basis een schup [tegula]. 
Het nervenstelsel bestaat uit hoofd-en zij aderen.
Bij de meeste soorten zit er aan de 
voorste rand van elk voorvleugels een 
donker vlakje, dat stigma of pleterostigma 
genoemd word. 
In rust zijn de vleugels boven het lichaam gevouwen, 
maar de wespen vormen een uitzondering, 
want zij vouwen de vleugels in de lengte op.
Het abdomen is het dikste deel van het lijf.
Bij vliesvleugelingen volgt het eerste segment
onmiddellijk op de thorax, 
terwijl er bij hoger ontwikkelde groepen een vernauwing 
tussen het voorste en achterste deel van het lichaam zit. 




Diptera H.5. 
Kleurige vliegjes van 3 tot 8 mm lengte, waarvan de vleugels een kenmerkende 
tekening van gele tot donkerbruine stippels en dwarsstrepen hebben.
De wijfjes hebben een lange legbuis,
die uit chitine bestaat.
Ze vliegen nogal rond de planten waarop ze parasiteren en bewegen hun vleugels op een 
typische manier wanneer ze op de bloemen of op de bladeren gaan zitten.
Ze geven de voorkeur aan warme, droge plaatsen; sommige leven trouwens op de steppe en in de woestijn.
De larven ontwikkelen zich in de weefsels van planten, in zaden, vruchten, bloemen, 
stengels en wortels.
Sommige graven gangetjes door bladeren en leiden tot de vorming van galappels.
Deze familie, die ook bekend is onder de naam Trypetidae, telt circa 2000 soorten, 
waarvan er ruim 120 in Midden-Europa voorkomen.

Familie der Drosophilidae-Bananenvliegjes.
Vliegjes van 1,5 tot 5mm lengte.
hun korte voelsprieten lopen uit in een arista die voorzien is van borstelhaartjes.
De imago's vliegen heel langzaam om gistende of in ontbinding verkerende organische 
stoffen heen.
De larven ontwikkelen zich in rottend fruit en groente of doorboren de weefsels van planten.
De soorten die dichtbij de mens leven, kunnen schade aanrichten in voedingsmiddelen. 
Een goede hygiene is de enige manier om ze kwijt te raken. 
Er is een duizendtal soorten bekend, waarvan de classificatie heel moeilijk is.
In Midden-Europa komen ruim 60 soorten voor.