IJsvogel

vogelfamilie Alcedinidae

IJsvogels, de vogelfamilie Alcedinidae uit de orde Scharrelvogels. IJsvogels vallen op door de gedrongen vorm, de korte hals en staart en de grote kop, die bij veel soorten een opzetbare kuif draagt. Ze zijn fel gekleurd en hebben een lange, toegespitste snavel. De poten zijn kort.

De gewone ijsvogel (Alcedo atthis) is de enige soort in Europa; deze komt ook voor in Noord-Afrika en Azië. Het is een vrij zeldzame broedvogel in Nederland; in België komt hij plaatselijk meer voor. Het nest maken de vogels aan het einde van een bijna horizontale, door henzelf gegraven gang in een steile oever. Men vindt daarin geen nestmateriaal, maar wel braakballen, bestaande uit graten en schubben. Het legsel telt zes tot acht eieren. De jongen worden door beide ouders verzorgd.
De onderfamilie Bosijsvogels (Daceloninae) is gekenmerkt door een bredere, meer afgeplatte snavel. De soorten zijn niet gebonden aan water en kunnen leven in bossen, steppen, aan zee en in het hooggebergte, waar ze jacht maken op insecten, krabben, reptielen, kleine zoogdieren en vogels. De meeste ijsvogels leven in de buurt van het water waar ze hun prooi uit halen. De bandijsvogels zijn gedrongen, forse vogels. Zij zitten meestal op een overhangende tak boven het water of zweven boven het water tot ze een vis zien. Vervolgens mikken ze en duiken het water in, waar ze de vis met hun snavel grijpen.

Tessa, gr. 7
informatie gehaald uit Encarta 98