Het Edelhert

Mahir K De Wadden groep 8

Inhoud

De edelhert 1

Edelherten zijn heel slim 2

Hinden kunnen herten inschatten 3

Als het hert een hinde ziet is het meteen van hem 4

Het gevecht van edelherten 5

Edelherten winnen niet gauw de vertrouwen van hinden 6

Joepie modder! 7

Na al dat `werk` kunnen edelherten óók moe worden 8

Terrugtrekken 9

Op kracht komen 10

Mee met de jachtopziener 11

Het gewei 12

Zonder gewei betekent: vechten als een meisje 13

Bevallen 14

Het opstaan 15

Moeder helpt met het drinken 16

Moeders leren veel aan hun kalfjes 17

Een schattig gezinnetje 18

Waarom heb ik mijn werkstuk over de edelhert gehouden?

Ik heb mijn werkstuk over de edelhert gehouden omdat ik naar de bibliotheek ben gegaan en niks anders kon vinden en het leek ook wel interessant.

En ik dacht dat er niet zo veel kinderen over de edelhert een werkstuk hadden gemaakt.

Welke boek heb ik gebruikt?

Ik heb het boek Edelherten gebruikt.

 

De edelhert

 

Op de hele wereld zijn er meer dan vijftig soorten herten.

In ons land komen er drie soorten voor: ree, damhert , edelhert.We gaan nu een jaar lang opvolgen wat de edelhert (Cervus elaphus) doet of beleefd.

Het edelhert is het grootste zoogdier dat in ons land in het wild leeft. Het word waarschijnlijk "edel" genoemd omdat vroeger alleen edellieden op dit dier mochten jagen.

Maar als je het ziet zou je denken dat het iets met het uiterlijk te maken heeft.

In de zomer heeft dit prachtige dier een kortharige gladde, meestal roodbruine vacht. In september krijgen ze hun grijsbruine wintervacht. Deze vacht is veel dichter en de haren zijn ongeveer twee keer zo lang. De wintervacht is wind- en waterdicht.

De mannetjes (herten) zien er in deze tijd indrukwekkend uit.De machtige nekspieren zijn opgezwollen en op de hals en schouders van het hert groeien lange, donkerbruine manen, die worden "de bronstmanen" genoemd. Rond de staart zijn de haren wit of geel. Deze haren worden "schort" of "spiegel" genoemd.

Als de edelhert schrikt, zet hij de haren vanzelf overeind, en als de de groep het dan ziet vluchten ze meteen.

Vierhonderd jaar geleden kwamen er veel meer edelherten in ons land voor.

Ze leefden zelfs in Den haag en Egmond. De boeren daar moesten zelfs hun akkers omheinen (hekjes met lange stokken zetten) met lange stokken om te voorkomen dat de dieren hun oogst vernielden.

De adel maakte zo hevig jacht dat de edelherten dat ze zo gauw verdwenen uit de duinen.

Tegenwoordig leefen de edelherten alleen nog op de Veluwe.

Daar zijn nu ongeveer vijftienhonderd edelherten. Ze leven in het wild, maar worden wel beschermd.

Ongeveer de helft leeft binnen "omheinde wildbanen", grote gebieden met een hek er omheen, zoals het kroondomein en het Nationale Park "De Hoge Veluwe" . De rest leeft in de "vrije wildbaan", Die door tientallen kilometers lange "wildrasters" van de akkers is gescheiden.

Het mannetjes-edelhert heet hert ,het vrouwtje hinde. De herten hebben een indrukwekkend gewei, dat ze elk jaar tussen januari en april afwerpen. Daarna groeit er weer een nieuw gewei.

Tegenwoordig mag er alleen maar gejaagd worden om te voorkomen dat er te veel zijn.

Als er te veel komen betekend dat het bos ook langzamerhand verdwijnt.

Om de twee jaar worden de edelherten geteld, daarna wordt er bepaald hoeveel er gedood mogen worden. Deze jacht wordt"beheersjacht" genoemd. Er wordt vooral gejaagd op jonge en tien jaar oude hinden. Bij de herten wordt vooral op dieren met kleine geweien geschoten,omdat ze denken dat die ongezond zijn.Maar is het echt zo?

Edelherten zijn heel slim

 

Voor de edelherten hun schuilplaats, verlaten, kijken ze voor de zekerheid nog even rond met al hun zintuigen, "Zekeren" heet dat.

Vroeger was de wolf hun grootste vijand, maar tegenwoordig is dat de mens.

Ze hebben als kalfje van de leidshinde geleerd dat de mens stinkt; ze ruiken ons al op honderden meter afstand! En hun beweeglijke oren horen zelfs het zachtste geluidje, en met hun ogen kunnen ze heel erg goed kijken.

Niets ontgaat ze. Als je een edelhert wilt bekijken, moet je slim zijn en je moet veel geluk hebben. Je kunt het best tegen de wind inlopen of, nog beter, rustig bij een plek met veel hertensporen zitten.

Edelherten zijn schuw en komen meestal alleen in de schemering uit hun schuilplaats.

Maar bij het begin van de herfst wordt het anders. Dan begint de "bronstiijd".

Ieder hert gaat op zoek naar een groep hinden om mee te paren.

Op hun vaak kilometers lange tochten naar de "bronstplaatsen" steken veel herten elk jaar

drukke wegen over. Daarom bestaan er speciale viaducten voor het wild(cerviducten).

Soms springen ze over hekken van wel twee meter lang om bij de hinden te komen.

Hinden kunnen edelherten inschatten

 

De herten zoeken de hinden op en laten hun bronstroep, het "burlen", tot ver in de omtrek weerklinken.

Een "leiddier" , een ervaren hinde met een kalf, staat het hoofd van het "kaalwildroedel".

Dit roedel heet "kaalwild" omdat wijfjes en kalfjes geen gewei hebben.

Vaak trekken de hinden zich niets aan van het "gebrul" van het hert. Zelfs niet als het met veel geraas uit de struiken komt aanrennen. De wijfjes slaan pas op de vlucht als de druktemaker te dichtbij komt.

Als de hert een groep hinden ziet is `t meteen van hem

 

De hinden raken meestal gauw gewend aan de "indringer". Als het hert wat ouder is en veel ervaring heeft, kan hij snel de vertrouwen winnen van de hinden.

Een ervaren hert komt schuin van achteren dicht bij de hinde, en nooit van voren!.

Hij likt dan heel lief de hinde op haar kop. Als hij agressief tegen de hinden doet, gaan die er met een grote vaart vandoor!

Steeds vaker laat het hert zijn gebrul (geschreeuw) horen. Iedereen moet weten dat hij de baas is van het roedel. Als een herdesrhond rent hij om zijn hinden heen om er voor te zorgen dat er geen ontsnapt. Bovendien gaat hij de omgeving nog even rond om nog meer hinden te vinden.

Het paren gaat met veel kabaal, want andere herten zijn ook nog op zoek naar hinden, en "belegeren" het roedel.

Het "plaatshert", het mannetje dat de wijfjes bij elkaar probeert te houden, is steeds druk bezig.

Als een hinde afdwaalt drijft hij meteen terug. Soms krijgt een koppig wijfje een flinke stoot

met het gewei.

Met zijn basgeluid houd hij de mannetjes op afstand; ze zijn bang!

Het gevecht van edelherten

Luid roepend loopt het plaatshert op de brutale uitdager af.

Die laat ook nog een keer zijn roep horen. Vlak bij elkaar blijven ze staan en kijken nog eens goed naar elkaar. Het plaatshert laat vechtlustig zijn kop zakken- en de overmoedige uitdager verliest meteen de moed! Na een kort gevecht geeft hij zich gewonnen door zich om te draaien en gaat er vandoor. Keihard laat de plaatshert nog eens zijn roep horen,alle andere herten moeten weten dat hij de sterkste is.

De mannetjes vechten alleen om te kijken wie de sterkste is.

Het vechten maakt deel uit een natuurlijke selectie: alleen de sterkste mannetjes winnen, houden een roedel wijfjes en krijgen jongen.

Want alleen jongen van gezonde herten zijn sterk genoeg om de dagelijkse strijd aan te kunnen.

Bijna altijd wint trouwens het hert met de "zwaarste stem". Ze vechten niet om elkaar te verwonden, toch komt het wel eens voor dat het gewei kapot gaat,ernstig gewond raakt of soms wel omkomt! Het komt ook voor dat de geweien in elkaar raken en niet meer uit elkaar komen, dan moeten ze sterven op een ellendige manier.

Op de foto hiernaast met de drie herten zie je dat een hert toelaat dat de jongen vlakbij zijn roedel mogen komen. Dat gebeurt bijna nooit!

Edelherten winnen niet gauw de vertrouwen van hinden

Meestal moet de hinde in het begin niets van het mannetje.

Het mannetje is altijd klaar om te paren, terwijl de hinde dat maar een gedurende en korte tijd is.

Het mannetje snuffelt voortdurend aan het achterste van zijn hindes om er zeker van te zijn dat hij dat moment niet misloopt. Als hij een bepaalde geur ruikt, weet hij dat de hinde klaar is om te paren. Hij snuffelt ook de ligplaatsen en de plekken waar ze plassen.

Als bepaalde lokgeuren zijn neus bereiken, laat hij het meteen langs zijn gehemelte glijden, dan tilt hij zijn bovenlip op. In het gehemelte zit nog een reukorgaan, het orgaan van Jacobson.

Een hinde die bereid is om te paren heet 'bronstig'. Als het hert er achterkomt dat de hinde bronstig is, gaat hij meteen achter het hinde aan rennen. Soms duurt het heel lang en dat noemen we 'klopjacht', waardoor het verlangen om paren alleen maar groter wordt.

Het komt ook wel voor dat het hinde begint met 'vrijen', dan schurkt (wrijft) ze tegen het hert aan. Als het hinde eindelijk toegeeft , bevrucht het hert met zijn zaad de eicellen van het wijfje.

Dan blijft het hert tevreden een tijdje rustig staan. Maar dat duurt nooit lang, want er moet altijd wel een brutale indringer worden weggejaagd.

Een bronstroedel kan wel uit dertig wijfjes ontstaan, Dus het hert moet veel vrijen.

En het bewonderlijkste is, dat het hert in deze tijd bijna niets eet.

.

Joepie modder!

De 'bruiloft' van de herten speelt altijd in de schemering en de nacht af.

Het anders zo stille bos is vol van het burlen van de herten.

Verder hoor je de geweien tegen elkaar op dreunen, en daartussendoor klinkt het speelse gekletter van de jonge mannetjes.

De jonge uil beleeft het 'feest' voor het eerst. Hij heeft zijn territorium (zijn jachtgebied dat hij tegen soortgenoten verdedigt) bij de modderpoel. Daarin liggen de herten graag te rollen.

'Zoelen' heet dat. Bij warm weer doen hinden dat ook. Het lekkerste wat herten en hinden vinden is: het modder op hun rug laten drogen, en terwijl ze dat doen een lekker hapje gras eten. Herten zijn planteneters, en bovendien 'herkauwers'.

Omdat hun voedsel moeilijk te verteren is kauwen ze niet een maal maar twee maal.

De maag van herkouwers bestaat uit vier gedeelten. Het voedsel wordt eerst in de bek voorgekouwd en ingeslikt. Het komt dan in de 'pens'. Daar wordt het door bacterien voorverteerd en verder gevoerd naar de 'netmaag', die van het voedsel kleine balletjes maakt.

Deze balletjes gaan weer omhoog naar de bek en worden daar opnieuw herkauwd. Zo ontstaat een brei die eerst in de 'boekmaag' en daarna in de 'lebmaag' terechtkomt.

Deze lebmaag is de hoofdmaag.

Na al dat werk kunnen edelherten ook moe worden

De bronstijd is nu al vier weken bezig. Het wordt al minder druk op de bronstplaatsen; de heldhaftige herten zijn moe geworden! Het plaatshert heeft door de drukte van de laatse tijd geen eens tijd gehad om te eten, af en toe heeft hij wat water gedronken uit de beek.

Het vechten met rivalen en paren hebben hem al zijn tijd gekost.

Nu is hij te moe om zelfs nog een keer te vechten, totaal uitgeput trekt hij zich terug.

Nu mogen de jonge herten op zijn roedel passen.

In deze tijd kan men vaak zo een uitgeput hert zien liggen soezen (lui liggen) in een uithoek van het leefgebied. Na verloop van tijd begint het hert weer wat te eten.

Juist nu is er een overvloed aan eikels en beukenootjes.

De natuur zorgt dus precies op tijd voor krachtvoer. Paddestoelen zijn er ook genoeg.

De voor ons giftige vliegenzwam is een lekkernij.

Vermoedelijk raakt het hert door het eten van een vliegenzwam in een aangename, lichtelijke verdoofde toestand.

Toch zal het mog een hele tijd duren voor het uitgeputte hert weer even doorvoed uitziet

als voor de bronstijd.

Na al dat werk kunnen edelherten ook moe worden

De bronstijd is nu al vier weken bezig. Het wordt al minder druk op de bronstplaatsen; de heldhaftige herten zijn moe geworden! Het plaatshert heeft door de drukte van de laatse tijd geen eens tijd gehad om te eten, af en toe heeft hij wat water gedronken uit de beek.

Het vechten met rivalen en paren hebben hem al zijn tijd gekost.

Nu is hij te moe om zelfs nog een keer te vechten, totaal uitgeput trekt hij zich terug.

Nu mogen de jonge herten op zijn roedel passen.

In deze tijd kan men vaak zo een uitgeput hert zien liggen soezen (lui liggen) in een uithoek van het leefgebied. Na verloop van tijd begint het hert weer wat te eten.

Juist nu is er een overvloed aan eikels en beukenootjes.

De natuur zorgt dus precies op tijd voor krachtvoer. Paddestoelen zijn er ook genoeg.

De voor ons giftige vliegenzwam is een lekkernij.

Vermoedelijk raakt het hert door het eten van een vliegenzwam in een aangename, lichtelijke verdoofde toestand.

Toch zal het mog een hele tijd duren voor het uitgeputte hert weer even doorvoed uitziet

als voor de bronstijd.

Terugtrekken

Hier en daar roept er nog een hert naar een hinde.

Soms is er een hinde pas in deze tijd klaar om te paren, en daar kan nog een hevig gevecht over ontstaan. Een echt daverende einde van de bronst.

Juist de vermoeide, oudere herten delven daarbij vaak het onderspit. Maar plotseling is dan het kabaal voorbij; de stilte keert terug in het herfstbos. Eind november, begin december keren de herten een voor een terug naar hun verder weg gelegen woongebieden.

Daar woont ook vaak een andere hertensoort, het ree en soms ook een troep wilde zwijnen.

De lynx komt niet meer in Nederland voor. Sommige mensen vinden dat dit dier in Nederland thuishoort. Ze willen het opnieuw uitzetten. Volwassen edelherten zijn te groot voor dit roofdier, maar reeen en jonge zwijnen kan het gemakkelijk aan met zijn grote klauwen.

Op kracht komen

Na de bronst hebben de herten alle tijd om te grazen en op kracht te komen.

Hun vertrouwde looppad, de 'wissel', loopt langs de 's winters rijkgevulde voederplaats.

's Nachts vriest het al af en toe en de eerste sporen van de winter zijn al zichtbaar.

Het blad van de lijsterbes lijkt wel afgezet met kant. De prachtige herfstkleuren lichten nog een keer op in het zonlicht. Daarna rukt een windvlaag het blad van de tak en dwarrelt het naar de grond.

Er valt nu steeds meer sneeuw.

Het wild kan het weinige voedsel op de bodem van het bos alleen bereiken door met de 'voorlopers' (de voorpoten) in de sneeuw te graven. Dat graven kunnen ze uitstekend.

Maar toch vinden ze niet voldoende voedsel. In deze tijd worden de edelherten bijgevoerd.

De voederplaats ligt op een kruispunt van de vaste looppaden van het wild, de 'wissels'.

Dit bijvoederen gebeurt vooral om schade door 'schillen' (het eten van boombast) te voorkomen, en om de dieren in hun meestal kaalgevreten rustgebieden van voedsel te voorzien.

Dat bijvoederen gebeurt door de jachtopziener.

Bijvoederen is nodig, maar het heeft ook een nadeel.'s Winters eten edelherten vezelrijk, houtachtig voedsel dat moeilijk te verteren is.

Als ze bijgevoerd worden krijgen ze meestal een keer per dag lichtverteerbaar voedsel.

De pens (de verzamelmaag) is niet in staat om op een dag van dit soort voedsel over te schakelen op vezelrijk en houtig voer. De edelherten kunnen dan hun eigen maaltijd (bosbesscheuten, bast en heide) niet zo goed verteren.

Mee met de jachtopziener

Vandaag mogen we mee met de jachtopziener als hij de herten gaat voeren.

Onderweg vertelt hij ons hoe het allemaal in elkaar zit.

Het wild heeft last van de maatregelen die de mens neemt.

De dieren worden in steeds kleinere stukjes bijeengedrongen. Edelherten laten zich niet gelijknamig over een gebied verdelen. Daardoor komen er in bepaalde gebieden veel te veel edelherten bij elkaar zitten.

Ze kunnen niet meer in alle rust naar voedsel zoeken waar of wanneer ze maar willen.

Maar ze hebben natuurlijk toch honger, dus eet de edelhert bast en twijgen van de bomen en struiken in de schuilplaatsen, de 'dekkingen'. Ze eten hun leefgebied helemaal leeg.

Plotseling staat de jachtopziener stil. Wat is dat daar nou in het sneeuw? Het is een grote afgeworpen 'stang'. De ene helft van een afgeworpen gewei, dat gebeurt tussen januari en april. De reebok, een andere hertesoort, werpt hem veel eerder af.

Het duurt slechts honderd dagen voordat er weer een nieuw gewei gevormd heeft onder de huid, dat is het bastgewei. In het gebied van de bastgewei zijn veel bloedvaten.

Voor zo een grote gewei is veel bouwstof 'kalk' nodig.

Al dat kalk stroomt door die bloedvaten.

Het is heel erg verbazend dat in nog geen drie maanden een gewei van wel twaalf kilo aan groeit. De vorm van een gewei is bij elk hert verschillend.

Zelfs de twee geweistangen van een hert zijn nooit precies hetzelfde.

Hoe groeid het gewei

In het begin zit er op de plaats waar de geweistang afbrak nog wat bloed.

Maar al gauw is de wond bedekt met kraakbeen.

Na een week zitten er twee kolfvormige, behaarde geweiknoppen op.

Er verschijnen twee stangen die wel een meter lang kunnen worden.

Zo ziet het eenvoudigste gewei eruit. Als het hert steeds ouder wordt, worden de stangen steeds dikker en gaan zich meer vertakken.

Bovenaan het gewei zitten kronen, die vaak veel 'enden' vertonen.

aan het aantal enden van de kroon, kun je níet zien hoe oud het hert is.

Een gezonde hert krijgt tussen zijn achtste en twaalfde levensjaar zijn grootste en zwaarste gewei. Als het ouder wordt begint zijn gebit te verslijten.

Daardoor kan het hert zijn voedsel minder goed herkouwen. Minder goed verteerd voedsel betekent minder bouwstof voor het gewei.

Zonder gewei betekent vechten als een meisje

Midden in de zomer hebben de herten zich goed dik gegeten.

In deze tijd bereiden ze zich op voor de bronst. Om klaar te zijn voor die tijd hebben ze grote vetreserves gevormd.

Het zachte gewei dat onder de bast is gegroeid begint nu af te sterven en wordt hard.

Zolang het bot nog leefde was het erg gevoelig. Het hert 'sprong' er dan ook voorzichtig mee om. Als er wel eens gevochten werd, gingen ze vechten op de manier van de hindes.

De vechtende herten gingen op hun achterpoten staan en sloegen elkaar met hun voorpoten.

De bast van het gewei verdroogt, dat kan vervelend jeuken.

Het hert schud ongeduldig met zijn kop. Vroeg of laat beschadigd de bast, doordat het tegen een tak stoot.

Meestal gaat de bast aan de bovenste toppen kapot. Het bloed dat eruit komt trekt meteen een zwerm vliegen aan. Het hert vindt dit natuurlijk niet leuk, en begint te 'vegen' : hij schuurt met zijn bastgewei langs takken en struiken totdat het loslaat. Vaak kun je hele lappen huid zien hangen. Het hert probeert ze te pakken krijgen en op te eten.

De grote 'stangen', het gewei, zien er eerst witachtig uit, maar verkleuren onder invloed van hars en looistoffen uit de natuur.

Bevallen

Een hindenroedel bestaat uit een aantal familiegroepen, daarmee wordt bedoeld : de moeder met haar kalf van dit jaar en vorig jaar.

Na de bronst is de hinde zwanger geraakt, of 'drachtig', zoals dat heet.

Het is al van ver te zien dat ze een jong draagt.

De moederbuik is kogelrond.

Het duurt acht en een halfe maand voor het kalfje geboren wordt; bijna even lang als de mens.

Gewoonlijk bevalt de hinde in mei of juni. Ze bevalt ergens op een afgezonderd, goed verborgen plekje, het is daarom moeilijk om een geboorte te zien te krijgen.

(Deze bevalling gebeurt in het wildpark, zo kun je alles goed opvolgen)

Toen het vruchtvlies openscheurde ging het hinde liggen. Met veel inspanning perst ze haar jong eruit. Eerst komen de kop en voorpoten, binnen paar minuten is het kalfje er.

De hinde staat op en breekt daardoor de navelstreng af.

Daarna begint ze het vruchtvlies eraf te halen en op te eten.

De hinde begint haar natte hulpeloze jong stevig en liefdevol af te likken.

Telkens weer strijkt ze met haar tong over de natte vacht van het kalfje.

Langzaam tilt het kalfje zijn kopje op. Al gauw probeert het kalfje om op te staan.

De hinde likt haar jong nog steeds, daardoor ontstaan er een zeer nauwe langdurige band tussen de moeder en het jong.

In het wild zou de moeder het kalfje de eerste paar dagen alleen laten, alleen komt ze om het te zogen.

Dat doet ze omdat het kalfje moet leren zelfstandig te zijn.

Als ze dat doet, doet ze dat heel voorzichtig. Anders zouden de wilde zwijnen en de vossen erachter komen dat het kalfje daar lag, want... zo een kleine kalfje is een erg makkelijke prooi.

De moeder blijft in de buurt om haar kalfje te beschermen als het nodig is.

Het opstaan

Het kost een hertekalfje een geweldige inspaning om op te staan.

En dan zijn die lastige vliegen er natuurlijk ook!

Na een tijdje proberen gaat hij maar weer eens liggen, even uitpuffen!

De moederhinde geeft een aanmoedigende duwtje, maar ook dat helpt niet altijd.

Ten slotte hebben de aanmoedigingen van moeder toch succes.

Het kalfje trilt en wankelt en heeft een kromme rug, maar het staat!

En dat terwijl het een half uur geleden is geboren.

Denk er maar eens over na hoe lang het bij ons, mensen, duurt voor we kunnen staan.

Het kalfje weegt ongeveer zeven en een halfe kilo.

Het duurt ongeveer vijf jaar voor het een volwassen hert zal zijn. Dan weegt hij tussen de honderdvijfentwintig en tweehonderdvijftig kilo, en bijna twee meter lang en meer dan een meter hoog (tot de schouders van het hert).

De hinden zijn wat kleiner en wat lichter. Dat komt ook door de zware, grote geweien, want die zijn groot en zwaar.

Moeder helpt met drinken

Kalfjes hebben een bontgevlekte vacht, na ongeveer anderhalfe maand verdwijnen die vlekken langzamerhand.

Nog wat onzeker op zijn pootjes wankelt het kalfje naar zijn moeder toe.

Hij duwt zijn neus van links naar rechts om het plaatsje te zoeken waar het kan drinken.

Omdat het kalfje er nog wat moeite mee heeft, helpt moeder een 'kopje'(Ik heb kopje zelf bedacht omdat ze met haar kop helpt).

Na het drinken is het kalfje doodmoe, maar heeft tenminste geen honger meer.

Hij zal nu uitrusten in de schuilplaats.

Als je ooit een hertekalfje ziet die aan het uitrusten is, moet je hem met rust laten.

Blijf dan ook nooit op de moeder wachten, want die staat weer te wachten tot wij weggaan!

Als het kalfje na één of twee weken even hard kan lopen als de moeder, neemt ze hem mee naar de roedel.

Daar wordt hij eerst uitgebreid besnuffeld door de andere dieren.

In het roedel vindt het kalfje al gauw speelkameraadjes.

Ze plagen elkaar, ze zitten elkaar achterna op het terrein.

Op hun 'hoornen' schoentjes kunnen de kalfjes snel galopperen, net als paarden, maar wel wat lichter!

Ze maken enorme sprongen, maar ook 'balletpasjes' en stijve paardepassen.

Moeders leren veel aan hun kalfjes

Het kalfje blijft een hele goede band houden tussen hem en z'n moeder.

Hij kan haar uit alle hinden van het roedel terugvinden.

Hij weet namelijk precies hoe zijn moeder ruikt, en de moeder herkent de geur van haar kalfje óók heel goed.

Het jong moet nu veel leren en doet zijn moeder in alles na.

Hij leert bijvoorbeeld welke dingen lekker zijn, zoals de bladeren van de lijsterbes. En hij leert welke dingen goed zijn.

Óók leert hij wat gevaarlijke zaken zijn. Jammer genoeg horen wij, de mensen, ook bij die gevaarlijke zaken!

Vader hert bekommert (bemoeid) zich niet met de opvoeding van z'n jonkies.

Dat is bij edelherten 'vrouwenwerk'.

In het wild kunnen edelherten onder gunstige omstandigheden zo'n zestien tot achttien jaar oud worden.

In het wildpark kunnen ze ongeveer achttien tot drieentwintig jaar oud worden.

Oude herten sterven vaak door de honger, als ze tenminste niet worden gedood door een jager of een dier.

Een schattig gezinnetje

Het zou best kunnen als je zo een fantastisch

gezicht te zien krijgt als je op een uitkijkpost aan

de rand van het kleurrijke herfstbos zit: een trotse

hert met een van zijn hinden en haar kalf