Salamander

Caudata of Urodela

Salamanderachtigen, de orde Caudata of Urodela van de klasse Amfibieën. De Wormsalamanders zijn een andere orde van deze klasse.
De Salamanderachtigen tellen ca. 325 soorten. De lengte loopt uiteen van 7 cm tot 1, 50 m; de meeste soorten worden 10–20 cm groot. In Nederland en België komen vijf soorten voor. Deze zijn in Nederland alle beschermd.

1. Anatomie en fysiologie
De huid is dun en bevat slijmklieren en vaak gifklieren (zie ook gifslangen). Geurklieren spelen een rol bij de voortplanting. Alleen dieren die een volledige gedaanteverwisseling (metamorfose) hebben doorgemaakt, bezitten een dunne hoornlaag, die van tijd tot tijd vervelt. Vele zijn onopvallend gekleurd, maar andere hebben felle waarschuwingskleuren (bijv. de vuursalamander), of herkenningskleuren (bijv. de mannelijke watersalamanders in de paartijd). Het skelet is in het algemeen licht van bouw, vooral dat van de ledematen, die het lichaam nauwelijks kunnen dragen. De voortbeweging is meestal langzaam, met sterke kronkelbeweging van romp en staart. De ademhaling vindt bij de larven plaats door middel van drie paar uitwendige kieuwen en door de huid, bij gemetamorfoseerde dieren door de huid en met eenvoudige – d.i. weinig of niet gekamerde – longen, behalve bij de Longloze salamanders, die uitsluitend met mond-, keel- en huidademhaling toekunnen. Het voedsel is uitsluitend dierlijk. Het gezicht is in het algemeen niet bijzonder goed en bij in water levende soorten zijn de ogen vaak zeer klein. Bij de grotbewoners, bijv. de olm, liggen zij onder de huid. Salamanderachtigen hebben geen trommelvlies en geen middenoorholte. Trillingen (meestal bodemtrillingen) worden via de onderkaak naar het inwendige gehoororgaan geleid. De reuk is goed ontwikkeld en speelt ook bij de voortplanting een belangrijke rol. Larven hebben een zijlijnorgaan, dat een aantal in water levende soorten ook in volwassen staat behoudt.

2. Voortplanting
Salamanderachtigen vertonen enkele bijzondere fenomenen bij de voortplanting, nl. de vorming van spermatoforen en, bij een aantal soorten, inwendige bevruchting zonder lichamelijk contact van de seksen. Een spermatofoor is een hoeveelheid spermacellen, verpakt in gelatineus materiaal dat wordt afgescheiden door klieren in de cloaca. De mannetjes bezitten geen penis. Met uitzondering van de Cryptobranchoidea (en waarschijnlijk de Sirenoidea), die uitwendige bevruchting hebben, wordt een spermatofoor in de cloaca van het vrouwtje opgenomen. Dit geschiedt door direct contact bij bijv. de vuursalamander, maar bij de Europese watersalamanders zet het mannetje de spermatofoor op de waterbodem af en laat het vrouwtje, door in haar gezichtsveld een soort lokgedrag ten toon te spreiden, over de spermatofoor lopen, die zij dan met haar cloaca aanraakt en opneemt. De eieren worden op het land of in het water gelegd, in gelatineuze zakjes, als trossen of snoeren, of stuk voor stuk. Bij de watersalamanders uit onze streken vouwt het vrouwtje ze elk apart in een waterplantenblad met behulp van achterpoten en cloaca. De vuursalamander is ovovivipaar en zet haar larven in het water af. De alpensalamander is geheel onafhankelijk van water, doordat haar (slechts twee) jongen gemetamorfoseerd ter wereld komen. De larven verschillen veel minder van de volwassen dieren dan bij de Kikvorsachtigen: de poten ontwikkelen zich al heel vroeg tot functionele organen; een operculum dat kieuwen en voorpoten overdekt, ontbreekt en het voedsel is dierlijk als bij de ouders.
Neotenie is zeer bekend van de axolotl, die een permanente larve is. Een gedeeltelijk neotenische soort is de olm. Neotenie komt als incidentele afwijking ook bij Nederlandse watersalamanders voor.
3. Geografische verspreiding en habitat
Salamanderachtigen komen bijna uitsluitend op het noordelijk halfrond voor, en vnl. in gematigde streken. De in de tropen voorkomende soorten in Midden- en Zuid-Amerika leven vaak op berghellingen en slechts zelden in het warme laagland. Behalve in de paartijd zijn de meeste soorten nachtdieren, die hoogstens bij regen ook overdag hun schuilplaats wel eens verlaten. Er zijn in water levende en min of meer gravende soorten, maar de meeste leven in bossen of langs waterlopen, verstopt onder hout, stenen e.d.
4. Indeling
De Nederlands-Belgische soorten behoren alle tot de familie Salamandridae. Vertegenwoordigers van deze familie komen zowel in Europa en Azië als in Noord-Amerika voor. De tot 20 cm lange vuursalamander (Salamandra salamandra) is een zeldzame soort van Zuid-Limburg, maar komt in België wat algemener voor in de provincies Henegouwen, Namen, Luik en in de Jurassische streek van Luxemburg. De huid bevat gifklieren. De zwarte alpensalamander (S. atra) is zijn naaste verwant uit het Europese hooggebergte. Van het geslacht watersalamanders (Triturus) (maar in het water verblijven zij alleen in de paartijd) is de tot 11 cm lange kleine watersalamander (T. vulgaris) in bijna heel Nederland plaatselijk algemeen. De grote watersalamander of kamsalamander (T. cristatus) komt van nature slechts in het oosten, midden en zuidoosten voor; beide zijn in geheel België algemeen. De draadstaartsalamander of vinpootsalamander (T. helveticus) leeft vaak in dezelfde biotoop als de verwante alpenwatersalamander. In Nederland is dat plaatselijk in het heuvelland van vnl. Brabant en Limburg; in België zijn zij het meest algemeen op het Kempens Plateau en in de Ardennen.

nick, groep acht
informatie gehaald uit encarta 98 encyclopedie