Vleermuis

Chiroptera

Vleermuizen of (verouderd) Handvleugeligen, de orde Chiroptera van de Zoogdieren, omvattend ca. 950 soorten, over vrijwel de gehele wereld verspreid (o.a. als gevolg van het vliegvermogen). Vleermuizen zijn de enige actief vliegende zoogdieren. Zij bewegen zich fladderend voort met behulp van een vlieghuid, gespannen tussen de extreem verlengde vingers van de voorste ledematen en tussen de binnenste vingers en de flanken van het lichaam; vaak strekt de vlieghuid zich uit tot de achterste ledematen en is ook de staart erin opgenomen. Het staartvlies wordt bij vele soorten aan weerszijden gesteund door het spoorbeen, een verlenging van het hielbeen. De knieŽn buigen naar achteren in plaats van naar voren. Alleen de van een haakvormige klauw voorziene duim is vrij beweeglijk. In rust hangen de dieren ondersteboven aan de voeten met de vleugels om het lichaam geslagen; een enkele keer hangen zij rechtop aan de duimen. De voortbeweging op de grond is onbeholpen; klimmen geschiedt met behulp van de duimen. De neus is vaak voorzien van soms bizarre vlezige aanhangsels; de oorschelpen zijn eveneens ingewikkeld van bouw, veelal met een sterk ontwikkelde tragus (oordeksel), die echter soms afwezig kan zijn.

De meeste vleermuizen zijn nachtdieren en in mindere mate schemeringsdieren. Zij voeden zich vnl. met vliegende insecten, hoewel talrijke voedselspecialisaties (bloedzuigers, nectardrinkers, visvangers e.a.) bekend zijn. De vruchtenetende soorten hebben een aan hun voedsel aangepast gebit, zijn goeddeels dagdieren en vanwege hun voedselvoorziening aan de tropen gebonden. Het merendeel van de vleermuizen leeft sociaal in gezamenlijk in schuilplaatsen de dag doorslapende en/of overwinterende kolonies (ook kraamkolonies); dat maakt de dieren kwetsbaar voor roofvijanden, parasieten, ziekten, giftige conserveringsmiddelen (restauratie van kerkzolders) en bestrijdingsacties (bloedzuigende soorten kunnen hondsdolheid overbrengen). In Nederland blijkt 90% van de vleermuizen met hondsdolheid besmet te zijn (zie opmerking onderaan dit werkstuk). Van vleermuizen zijn trekbewegingen over grote afstanden bekend (ringonderzoek, vgl. vogels); bij deze dieren die als insecteneters op hogere breedten over lange perioden geen voedsel kunnen verkrijgen, komt ook echte winterslaap voor. Per keer wordt slechts ťťn jong geboren (o.a. soms met vertraagde implantatie [innesteling in de baarmoeder]), dat door de moeder meegedragen wordt. Vleermuizen leven relatief zeer lang (tot meer dan twintig jaar).

Talloze soorten bezitten de mogelijkheid tot echo-oriŽntatie (sonar), wat zowel van belang is voor het vermijden van obstakels bij het vliegen als voor het vangen van prooidieren. De geproduceerde geluiden worden gemoduleerd door de neusaanhangsels. Nieuwe technieken, vooral het gebruik van de bat-detector (kan vleermuizen aan hun ultrasone geluid herkennen) en van mistnetten, hebben aan het licht gebracht dat er in onze streken meer individuen en soorten zijn dan voorheen gedacht werd.
In Nederland en BelgiŽ komen achttien soorten voor, die alle in beide landen beschermd zijn; de aantallen zijn recentelijk scherp teruggelopen door een samenspel van ongunstige factoren (insectenbestrijding, verstoring, verdwijnen of bespuiten van rustplaatsen, enz.). Slechts de watervleermuis (Myotis daubentonii) en de dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) komen nog algemeen voor. Op wereldniveau worden talrijke soorten, vooral kolonievormende eilandbewoners, met uitsterven bedreigd, o.a. door overbejaging; veel tropische vruchtenvleermuizen leveren zeer gezocht vlees. Uitroeiing kan o.a. resulteren in problemen met bloembestuiving en verspreiding van zaden.

Mark s, groep 8
informatie uit Encarta 98 encyclopedie

Reactie van Rombout de Wijs
(Informatievoorziening Fauna)

Hallo,

Onlangs belandde ik na een zoektocht via internet naar vleermuizen op uw site. Daar trof ik een tekst aan over vleermuizen, geschreven door ene Mark s, groep 8, volgens opgave gebaseerd op info uit de Encarta 98 encyclopedie.
Daarin staat ondermeer dat in Nederland 90% van de vleermuizen met hondsdolheid besmet zou zijn. Dat is echter ABSOLUUT niet het geval. Hondsdolheid komt feitelijk maar bij een van de 19 soorten in Nederland voor (de laatvlieger) en is als doodsoorzaak slechts in 20% van de gevallen betrokken. Dat betekent natuurlijk niet dat 20% van die vleermuizen besmet is (want alleen dode en zieke vleermuizen worden onderzocht, van levende weten we dus niets), maar betekent alleen dat 80% van alle dode laatvliegers is overleden aan een andere oorzaak dan rabies. Ook bij deze ene soort is het dus bij lange na niet de belangrijkste doodsoorzaak. Ik schat dat rabies dus bij minder dan 1% van de Nederlands vleermuizen voorkomt.

Dat is dus heel anders dan in het verhaal van Mark s. wordt genoemd. Nu zou je je daar natuurlijk niet zo druk over hoeven maken, ware het niet dat dit onderwerp momenteel vrij gevoelig ligt. Er worden door vele vrijwilligers en sommige ambtenaren vele pogingen gedaan om vleermuizen geaccepteerd te krijgen en dat wordt er met het verspreiden van dergelijke foutieve informatie niet beter op.

Helaas beschik ik niet over de Encarta, dus kan ik de bron niet checken, maar hoe dan ook, deze informatie is onjuist en misleidend. Dan kan vast niet de bedoeling van u, Mark s en het, overigens erg aardige, project zijn.

Kunt u deze tekst aanpassen? (http://www.tenan.vuurwerk.nl/reports/wadden/vleermui.htm)

Vriendelijke groeten,
Rombout de Wijs
(Informatievoorziening Fauna)

Vereniging Natuurmonumenten
Afd. O & B
Postbus 9955
1243 ZS 's-Graveland
tel: 035-6559779
fax: 035-6559753
Email: r.dewijs@natuurmonumenten.nl