Vlinders

orde Lepidoptera

Vlinders, de orde Lepidoptera van de Insecten, gekenmerkt door de bedekking van vleugels en lichaam met platte schubben, een spiraalvormig oprolbare zuiger (roltong) en een typische larvevorm, de rups. Er zijn 150.000 soorten bekend, waarvan in Europa ca. 5000. Een aantal soorten van vooral de Dagvlinders is tussen 1955 en 1990 in Nederland niet meer waargenomen; oorzaken zijn de vernietiging van hun milieu door verstedelijking en door intensivering van de landbouw.

1. Bouw
De Vlinders hebben hun opvallende en soms zeer bonte uiterlijk te danken aan de schubben, die als een fijn poeder het gehele lichaam bedekken en die te beschouwen zijn als zeer afwijkend gebouwde haren. De schubben zijn de dragers van de kleuren; deze worden door pigmenten veroorzaakt, of – m.n. bij de metaalachtige, bij verschillende belichting wisselende kleuren van vele tropische en ook enkele inlandse vlinders – door bepaalde oppervlakstructuren. Waar de vleugelschubben ontbreken, zoals bijv. bij de Wespvlinders (fam. Aegeriidae), zijn de vleugels even doorzichtig als bij andere insecten. De schubben op de romp zijn meestal groter, vooral langer, dan die op de vleugels en meer haarvormig.
De lange roltong, het zuigorgaan van de vlinders waarmee zij nectar ook uit de diepste bloemkelken kunnen puren, bestaat uit het sterk gemodificeerde tweede paar kaken (maxillen), die samen een buis vormen; de rest van de monddelen is vrijwel rudimentair, op de tasters van de onderlip na, die groot en lang beschubd zijn. Enkele primitieve soorten hebben nog kaken, waarmee zij stuifmeel eten.
De vorm van de vleugels en het vliegvermogen zijn zeer verschillend: de 'dagvlinders' hebben zeer brede vleugels en langzame vleugelslag; de pijlstaartvlinders en uilen (zie Uiltjes), die in de schemering van bloem naar bloem schieten en, in de lucht stilstaand, hun honing zuigen, hebben smalle vleugels en een snorrende vlucht. Ongevleugeld zijn de wijfjes van een aantal vlinders, bijv. de wintervlinders en de witvlakvlinder.

2. Levenscyclus
De vlinders behoren tot de insecten met een volledige gedaanteverwisseling (Holometabola). Vele vlinders leggen hun eieren open en bloot op de planten. Vaak worden eischooltjes gevormd, die door een hard wordende kleefstof bij elkaar worden gehouden; bekend zijn bijv. de eiringen van de ringelrupsvlinder (Malacosoma neustria). De typische vlinderlarve of rups heeft bij vrijwel alle soorten speekselklieren die een stof afscheiden die aan de lucht verhardt tot zijde; behalve voor het spinnen van een cocon, hetgeen lang niet alle rupsen doen, gebruiken zij deze zijde voor het maken van beschuttende spinsels, zoals de bekende stippelmotten van de kardinaalsmuts. Bij rupsen komen behalve haren ook dorens en stekels voor, die nog vertakt kunnen zijn. Sommige soorten hebben uitstulpbare organen, die vluchtige stoffen afscheiden. De verborgen, in het inwendige van hun voedsel levende rupsen zijn veelal grauw of kleurloos.

De pop is een typische mummiepop, dwz. dat de verschillende uitwendige organen van de vlinder, zoals vleugels, sprieten, poten, er aan te zien zijn, maar alle stijf tegen de romp zitten aangeplakt. De verpopping heeft óf in de grond, óf in een cocon, óf in de open lucht plaats. In het laatste geval is de pop meestal aan een tak, stam, muur e.d. bevestigd door een spinseldraad, die er als een gordel omheen zit, of opgehangen aan de achterlijfspunt, die een groep kleine haakjes draagt. Vele soorten overwinteren in het popstadium. Bij een aantal vlindersoorten treedt een trek op, die zich over verschillende generaties kan uitstrekken.

3. Voedsel
Bijna alle vlinders zijn afhankelijk van de zaadplanten. Het voedsel van de volwassen vlinders bestaat nl. vrijwel geheel uit nectar. Incidenteel likken zij het sap op dat uit gewonde bomen vloeit, sap van gekneusde vruchten e.d., of vloeistoffen van dierlijke oorsprong, bijv. het vocht van verse uitwerpselen. Een aantal soorten is door zijn rudimentaire monddelen niet meer in staat enig voedsel op te nemen.
Ook de rupsen leven overwegend op of in zaadplanten. Mineerders in bladeren zijn de rupsen van kleine motjes, die zeer kenmerkende figuren maken. In stengels en boomstammen leven o.a. de Wespvlinders en Cossidae (o.a. de wilgenhoutvlinder). Slechts weinige soorten leven van varens, mossen en korstmossen. Onder de lagere vlinders is een aantal dat zich als rups met stoffen van dierlijke oorsprong, vnl. hoornstof, voedt, zoals de kleermot.

Esther Groep 8
de informatie komt uit Encarta 98 encyclopedie