Wild zwijn

Sus scrofa

Wild zwijn, ook ever of everzwijn, naam voor de soort Sus scrofa uit de familie Varkens van de Oude Wereld en in het algemeen ook de naam voor elke niet-gedomesticeerde soort uit deze familie. Het wilde zwijn is het Euraziatische wilde varken, de stamvader van het huisvarken of varken. Het Midden-Europese wilde zwijn heeft een lengte van 100–150 cm, een schouderhoogte van 70–115 cm en weegt 35–185 kg (mannetjes zijn groter en zwaarder dan zeugen); de staart is 15–25 cm lang. De huid is met zwarte borstels bezet; bij gesloten bek zijn vooral bij de mannelijke dieren (beren) de slagtanden zeer opvallend. Wilde zwijnen zijn te herkennen aan hun grote, omhoogstaande slagtanden en grote lichaam. Hun gehoor en reukvermogen zijn beide goed ontwikkeld, zodat het wilde zwijn tijdig van naderend gevaar op de hoogte is. Wilde zwijnen gaan meestal met de hele familie samen op zoek naar eten. Ze eten verschillende soorten paddestoelen, varens en delen van planten, waaronder grassen, bladeren, fruit en wortels. Behalve planten eten wilde zwijnen af en toe ook muizen, kikkers, vogels en ongewervelde dieren, zoals insecten en wormen. In Nederland was de soort aanvankelijk uitgestorven/uitgeroeid; het wilde zwijn werd later weer ingevoerd en is ook spontaan geïmmigreerd vanuit Duitsland; het komt nu vnl. op de Veluwe voor. Het wilde zwijn bewoont in kleine troepen ( 'rotten') loof- en gemengde bossen, waar zij als omnivoren optreden (voedsel: wortels, knollen, eikels, kastanjes, insecten en andere lagere dieren; voorts amfibieën, reptielen, kleine knaagdieren, enz.).

Terwijl zij zich in het bos veelal nuttig gedragen door het omwoelen van de bodem, het wegvangen van schadelijke dieren, enz., kunnen zij grote schade in akkers aanrichten. Het feit dat dit dier tot het meest gezochte jachtwild (trofee, vlees) behoort, is ervoor verantwoordelijk dat het niet over grotere gebieden dan tot op heden uitgeroeid is. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden of bij een lage jachtdruk kan het dier zich zeer snel uitbreiden. De bronsttijd (beertijd) valt in de late herfst; hierbij leveren de beren verwoede gevechten. Tegen ernstige schade van de slagtanden (houwers; tot 25 cm lange hoektanden in de onderkaak) zijn zij in die periode beschermd door een onderhuids schild van hard bindweefsel en vet op schouders en voorste deel van de flanken. Per worp worden 3–7 jongen geboren, die ongeveer een half jaar lang hun in de lengte gestreepte jeugdkleed behouden; de draagtijd beloopt 110–120 dagen en de maximale leeftijd 30 jaar of meer. De troepen bestaan uit zeugen (baggen) met biggen en overjarige jongen; in de winter voegen volwassen mannetjes zich bij deze rotten. Oude beren (keilers) leven gewoonlijk solitair. Wilde zwijnen stellen weinig ecologische eisen; baden in modderpoelen echter is voor de huidverzorging wel noodzakelijk.

tim groep 7
informatie uit encarta '98